Kort maar prachtig

Ik ken haar louter in mijn armen.
Op de golven van haar lach mocht ik haar beminnen.
Als zuiver water, meel en gist verrezen wij tussen witte lakens.

Haar huid, zo zacht als rijzend deeg waarin ik mijn vingers liet zinken.
Haar lichaam, onder heimelijk gezucht verheffend.
Zachtjes klagend, ietwat bevend.

De zoete geur van haar gistende lijf vermengde zich met de mijne: onbesuisd, intens en krachtig.
Ik ken haar louter in mijn armen
en het was kort maar prachtig.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *